Hechting; de basis van contact met onszelf en anderen

Updated: Jun 13

Veilige hechting is de bron liefde en leven; onveilige hechting leidt tot overleven en ziekte. Hechting is een levenslang patroon dat alle sociale- en intieme relaties vorm geeft. Het wordt inter-generationeel overgedragen en is de kern van ons bestaan.


Hechting begint in de baarmoeder. Het prenatale kind en de baby ontwikkelen hechting, die voor hun overleving van levensbelang is. Iedereen is op zijn eigen manier gehecht aan anderen. Om te kunnen duiden kan er gesproken worden van veilig of onveilig gehecht zijn. Veilig impliceert gezond en onveilig heeft meer verband met angst en ziekte in de brede zin.

Dat hechting impact heeft op gezondheid blijkt uit allerlei wetenschappelijke onderzoeken (zie o.a. Schore, 1994; Cassidy en Shaver,1999; Brisch, 1999). Het kunnen omgaan met jezelf en de wereld (emotieregulie) kan duidelijk in verband gebracht worden met veilige hechtingsrelaties (Fonagy e.a., 2002). Schore (1994; 2003) heeft aangetoond dat kinderen die opgroeien met een gebrekkige emotionele veiligheid andere hersenen ontwikkelen, waarbij met name de orbitofrontale cortex van de rechter hemisfeer minder synaptisering (verbindingen) vertoont.


Belangrijk is om hechting niet zwart-wit te zien (wat wel eigenlijk?), maar meer als een continuüm (mate van). Ruwweg zijn er vier stijlen van gehecht zijn te onderscheiden; één gezonde stijl en (helaas) drie ongezonde stijlen.


De stijl van gehecht zijn wordt al heel vroeg in ons leven ontwikkeld en vormt de basis voor de manier waarop we mentaliseren en de manier waarop we emoties toelaten of afweren. Gehechtheid, reguleren van emoties en vermogen tot mentaliseren en daardoor sociaal kunnen zijn gaan samen.


Mentaliseren is ons vermogen om onszelf en anderen te kunnen begrijpen door middel van innerlijke gedachten, gevoelens en verlangens, kortom begrijpen via de mentale ervaringswereld.


Emotie en gevoel

Emoties spelen zich af in het lijf in de meer 'primitievere' (oudere) breindelen. De lijfreacties vertellen ons of de buitenwereld veilig of onveilig is, of we weg willen rennen of toenadering willen zoeken. Het is ons basisgereedschap dat ons in staat stelt – en met ons vele diersoorten – om te overleven. Emoties zijn dikwijls naar buiten gericht. Aan onze lichaamshoudingen gezichtsuitdrukking, toon en volume van onze stem, kunnen anderen merken of wij bijvoorbeeld boos, bang, beschaamd, bedroefd of blij zijn (de 5 basisemoties).


Als je aan een zichtbaar geëmotioneerd iemand vraagt: “Wat voel je?”, krijg je niet zelden te horen “Niets”. Als je dan aan hem of haar vraagt om het lijf langs te lopen, van het hoofd langzaam tot de voeten, dan wordt die iemand zich bewust van spanning, pijn en onrust, wordt hij zich bewust dat er zich binnenin van alles afspeelt. Pas dan zijn we in staat om hierover meer grip te krijgen. Eigenlijk zijn we wezens die continu emotionele processen in ons hebben afspelen, echter of we er van bewust (kunnen) zijn, is een tweede. Emoties die alleen lijfelijk zijn en dus onbewust zijn, zijn nog niet (voldoende) in ons verbale systeem (neo-cortex) geïntegreerd. In psychotherapie praat je vaak over verwerking; 'het integreren van belangrijke leerervaringen uit het verleden, waardoor er inzicht en grip op ontstaat (emotieregulatie) in het heden.'


Hechten moet

Bij de geboorte is een baby totaal afhankelijk van de ouders om in leven te blijven. Hechten moet, ongeacht of de ouders aardig zijn of niet, ongeacht de kwaliteit van hun zorg.


Baby’s kunnen prikkels registreren als fijn of niet fijn en kunnen met hun lijf signalen afgeven – huilen, schoppen, gillen, lachen – over hun innerlijke toestand. Hoe de ouders op deze signalen reageren is cruciaal. Kunnen zij de emotie van hun kind verdragen, zijn zij in staat hun kind te troosten en verzorgen, gerust te stellen, of worden ze zelf in hun eigen emoties te erg geraakt of ontregeld?

Vroeger werd gezegd dat het prima was om een baby uit te laten huilen. Dat een baby stopt met huilen betekend dan niet dat zijn belevenis van gevaar en behoefte opgelost is. Nee een baby leert dan dat het machteloos is en stopt met het 'aangaan' van zijn externe omgeving, om zo energie te sparen. De conclusie en inprenting is dat het geen oplossing heeft. Dit is het fenomeen dissociatie (onthechting) en is de basis van wat trauma is. Er wordt ook vaak gedacht dat kinderen minder mee krijgen dan volwassenen. Dit is eerder omgekeerd. Baby's en jonge kinderen krijgen alles mee wat er in hun direct omgeving via zintuiglijke waarneming is op te pikken, echter is het niet zo dat het in hun talige brein wordt opgeslagen en er dus (later) over kunnen praten. Zie ook hieronder.


De gehechtheidstheorie beschrijft de emotionele interactie tussen ouder en kind en is in feite een theorie over emotie- en stress regulatie. De ervaringen van het kind worden opgeslagen in het onbewuste, lijfelijke, procedurele geheugen, dat toegankelijk is via lijfervaringen maar grotendeels buiten het bereik valt van het autobiografische, bewuste en op taal gebaseerde geheugen. Het kind leert zichzelf kennen als lief en geliefd of als lastig en tot last. De betekenis die een ouder aan het gedrag van de baby geeft, zal afhangen van zijn of haar vermogen tot empathie en het kanaliseren van de eigen emotionele reacties. Alleen als je als ouder zelf met je emoties overweg kan, kan je een goede basis bieden en voorbeeld zijn voor je kind.


De vier stijlen van hechten kunnen hieronder dankzij de gehechtheidstheorie helder op een rij

gezet worden. 


Veilige hechting: ‘ik ben er om van te houden’

Veilige gehechtheid ontstaat in een relatie waarin de ouder de emoties en het gedrag van zijn kind kan onderkennen als van iets van dat kind, los van de eigen emotie. Zo kan de ouder troost bieden, zonder zelf te ontregelen of angstig of boos te worden.


In het veilige hechtingspatroon zoekt het kind, in geval van nood, steun en troost bij de ouder, om daarna weer over te gaan tot zelfstandig exploratief gedrag. Doordat de moeder sensitief heeft gereageerd op de stresssignalen van het kind, vindt het kind voldoende veiligheid om opnieuw de wereld in te stappen. De moeder functioneert door haar beschikbaarheid, haar sensitiviteit en responsiviteit als een veilige thuisbasis. Veilig gehechte kinderen worden veelal autonoom gehechte volwassenen, die in intieme relaties een gezond evenwicht vertonen tussen betrokkenheid op de partner en ruimte voor zichzelf. Deze volwassenen erkennen het belang van vroegere relaties in hun persoonlijke ontwikkeling. Ze hebben een gebalanceerde en inlevende kijk op zichzelf en op hun ouders; ze hebben een rijk gevoelsleven, zijn helder en coherent. Deze volwassenen hebben geleerd om de realiteit binnenin te onderscheiden van de realiteit buiten hen en om eigen emoties te onderscheiden van die van anderen.


Veilige hechting is gebaseerd op een innerlijk model van de ander als veilig en betrouwbaar en van zichzelf als competent en ‘om van te houden’.


Onveilige hechting

Onveilige hechting ontstaat als de ouder zelf minder goed in staat is om zijn eigen emoties te reguleren en zelf ontregeld raakt bij een confrontatie met de emoties van het kind. Er zijn drie soorten onveilige hechting.


1. Angstig-ambivalente of aanklampende gehechtheid


De ouder neemt de emotie van het kind over: kind angstig ⟶ ouder angstig ⟶ kind nog angstiger. Het gevoel escaleert wat een langere periode van ontregeling met zich meebrengt. Wiens emotie van wie is, is niet duidelijk.


Angstig-ambivalent gehechte kinderen reageren heel sterk op scheiding en dreiging en ze zoeken wel contact met hun hechtingsfiguur, maar zijn boos en moeilijk te troosten. Ze klampen zich enerzijds vast aan hun moeder, maar anderzijds weren ze haar ook teleurgesteld af. Ze blijven lange tijd emotioneel ontregeld en houden de hechtingsfiguur voortdurend in de gaten. Vanuit hun onveiligheid blijven ze zich aanklampen aan de hechtingsfiguur, wat ten koste gaat van het exploratief gedrag. Deze kinderen kunnen de moeder niet loslaten, maar kunnen haar troost en steun ook niet toelaten. Deze kinderen ontwikkelen zich vaak tot gepreoccupeerde volwassenen. In intieme relaties hebben ze de neiging de partner te verstikken in een versmeltende relatie. Zij overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van hun ouders, waarop ze nog steeds boos kunnen zijn of die ze nog steeds willen behagen. Hun vertrouwen in de eigen mogelijkheden is beperkt; ze zijn hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, dan wel afwijzing.

Er is sprake van onderregulatie: men reguleert niet zelf en klampt aan bij de ander.


2. Angstig-vermijdende of gereserveerde gehechtheid


De ouder is gewend om eigen emoties te negeren of af te doen als aanstellerij. Deze ouders zullen te weinig reageren op signalen van ontreddering van hun kind. Een kind dat niet huilt als het pijn heeft, wordt als makkelijk ervaren maar dit kind heeft al geleerd dat in nood niet op steun of troost gerekend kan worden.


In dit hechtingspatroon zoekt het kind geen troost en steun bij de moeder, maar blijft het zich bij gevaar richten op de omgeving. Deze kinderen gedragen zich alsof ze niet geraakt worden door de scheiding of de bedreigende situatie, en het lijkt alsof ze onverstoord doorgaan met hun exploratief gedrag; dit gedrag is vaak wel meer ongericht, doellozer. Fysiologische metingen van hun stress tonen echter aan dat ze wel degelijk angstig zijn, maar ze proberen hun stressreacties zoveel mogelijk zelf te reguleren en tonen ze zeker niet aan de omgeving. Het is een vorm van onthechting. Ze lijken onverschillig en worden vaak, ten onrechte tot ‘makkelijke kinderen’ bestempeld. In werkelijkheid is het een vorm van zelfbescherming tegen de pijn van de afwijzing die het contact met de moeder oproept; het is een overlevingsstrategie die gebaseerd is op de ervaring van een gebrek aan beschikbaarheid. Het kind heeft een mentale representatie opgebouwd van onbereikbare ouders. Bij volwassenen staat een sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid centraal. Zij minimaliseren of ontkennen de effecten van vroegere ervaringen en ze hebben een slecht geheugen voor persoonlijke ervaringen. Ze hebben de neiging om ouders te idealiseren; zij leggen de nadruk op persoonlijke kracht; hun gevoelens houden ze veelal op afstand en ze benadrukken emotionele onafhankelijkheid. Autonomie en zelfredzaamheid heeft al de overhand genomen ten koste van de hechting. Er is sprake van overregulatie: men dempt teveel en neemt afstand van de ander.


3. Gedesorganiseerde gehechtheid


De ouders zijn een bron van angst; het zijn ouders die agressief, verwaarlozend en vooral onvoorspelbaar zijn. Het kind kan geen eenduidig innerlijk werkmodel ontwikkelen; ze blijven innerlijke representaties houden van hulpeloosheid aan de ene kant en vijandigheid  aan de andere kant. Het kind heeft geleerd dat anderen niet beschikbaar zijn en heeft ook niet geleerd om zijn eigen heftige emoties te reguleren. Het kind is niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren. Er is sprake van een ineenstorting van de gedragsmatige strategieën om met stress om te gaan. Deze kinderen vertonen vaak chaotisch gedrag. Ze wisselen voortdurend van strategie, waardoor hun gedrag vaak doelloos en tegenstrijdig lijkt.


De gedesoriënteerde volwassenen vertonen een ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen; bij hen kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen worden waargenomen en lijkt het vermogen tot logisch redeneren verstoord; ze raken in verwarring als het thema van verlies en scheiding wordt aangeraakt; deze groep wordt vaak geassocieerd met borderline problematiek.


Bowlby, Johnson en de partnerrelatie

Volgens de grote grondlegger van de gehechtheidstheorie, de psychoanalyticus John Bowlby, houden alle betekenisvolle interacties met belangrijke anderen in de volwassen leeftijd verband met de basisaannames uit de kindertijd over de beschikbaarheid en veiligheid van anderen. Hoe onveiliger en problematischer de vroegere hechtingsrelatie geweest is, hoe minder stressbestendig en stabiel de relaties in het latere leven zullen zijn en hoe sneller de persoon in kwestie zich bedreigd en onveilig zal voelen.


Sue Johnson borduurt hier op voort en plaatst emoties en emotionele reacties in het kader van de gehechtheid en de angst voor verlies of het gevoel van verlies van contact met de ander. Vermeende afwijzing of verraad door de partner of een partner die niet beschikbaar is in momenten van nood roepen angst en protest op en brengen gedrag op gang dat bedoeld is om contact te herstellen. Oud hechtingsgedrag wordt geactiveerd. Vroeg geleerde reacties worden zichtbaar: vechten of vluchten, zich terugtrekken, verlammen, zich afsluiten. De ene partner hoopt dat de ander ‘het zal begrijpen’. Maar juist hier kan het fout gaan! De emoties van de partner zijn niet altijd begrijpelijk en kunnen voor de ander juist een signaal van onveiligheid vormen. De heftigheid van een emotie kan gevoeld worden als kritiek of afwijzing en niet als een verlangen naar begrip of opvang. Zo ontstaat een cirkel van angst voor contactbreuk en noodkreten over en weer die alleen maar tot emotionele escalatie leiden.


Veilige gehechtheid en de partnerrelatie

Veilig gehechte stellen delen meer emoties met elkaar en zijn accurater in het interpreteren van de non-verbale communicatie bij de partner. Delen met elkaar maakt het mogelijk om pijn te verdragen.


Het oplossen van een conflict heeft een positieve invloed op de beleving van de partner. Zo werkt het bij onveilig gehechte mensen niet; het negatieve oordeel over een partner blijkt niet te veranderen na het oplossen van een conflict.


Het is niet de contactbreuk op zich waar het om gaat maar het vermogen om het contact te herstellen en de ander te hervinden. Van Dantzig: De mens is niet gemaakt om alleen te lijden, evenmin is hij gemaakt om alleen lief te hebben’.


Angstige gehechtheid en de partnerrelatie

Mensen die angstig gehecht zijn hebben angst voor verlating en grote onzekerheid over de liefde van anderen. Deze angst maakt mensen aanklampend, voortdurend twijfelend aan de toewijding van de ander en geneigd om die te controleren.


Zij hebben moeite de partner (en vaak de kinderen) een eigen leven toe te staan en als gevolg van hun angsten kunnen zij bemoeizuchtig en achterdochtig worden.


Behoefte van de partner aan eigen ruimte betekent een afwijzing. Time-out opdrachten met als doel de-escalatie van heftige emotionele interacties kunnen bij deze mensen mislukken omdat zij de opgelegde emotionele afstand niet verdragen.


Deze mensen hebben er baat bij om meer op eigen krachten te gaan vertrouwen.


Vermijdende gehechtheid en de partnerrelatie

Vermijdend gehechte mensen hebben vooral geleerd om autonoom te zijn. Deze mensen zijn bang om emotioneel afhankelijk te zijn en bang voor nabijheid. Uit ervaring weten deze mensen dat je vooral op jezelf moet vertrouwen – niet alleen ‘zelf doen’ maar ook alléén.


Vermijdend gehechte mensen zullen niet gauw hun partner betrekken bij een probleem en zullen moeite hebben om een hulpvraag van de partner te verdragen. Ze zijn zich weinig bewust van hun eigen emotionele behoeften noch van die van anderen en hun behoefte om emoties met hun partner of een ander te delen is beperkt.


Kwetsbare gevoelens zullen deze mensen niet gauw laten zien omdat deze gevoelens voor deze mensen zelf ook moeilijk toegankelijk zijn. Deze mensen kunnen duidelijk geëmotioneerd zijn maar ontkennen dat zij iets voelen.


Hulp van anderen wordt niet als hulp ervaren maar als een correctie, een bewijs van onvermogen. In therapie heeft zo iemand niet direct een hulpvraag. Iets niet zelf kunnen, je van anderen afhankelijk maken, is angstaanjagend.


In therapie kan men beginnen woorden te vinden voor onderliggende pijn; de pijn van het kind dat zich noodgedwongen sterk heeft moeten maken.


Gedesorganiseerde gehechtheid en de partnerrelatie

Bij partners van wie één (of beiden) gedesorganiseerd gehecht is, is de boodschap: kom dichtbij want ik heb je nodig, maar ga weg want ik stik. De ander die nodig is als toeverlaat is ook de bron van angst, twee onverenigbare emotionele reacties. Vaak hebben deze mensen dissociatieve neigingen, niet alleen als vlucht voor het contact met de omgeving maar ook als vlucht voor het eigen gevoelsleven.


De partners bevinden zich in een onoplosbaar dilemma waar niets goed voelt. Oude trauma’s kunnen gereactiveerd worden. Heftige en moeilijk te reguleren emoties kunnen blootgelegd worden wat geweld tot gevolg kan hebben: wanhoop en woede zijn een explosieve combinatie.


Hieronder is bovenstaand verhaal en stijlen samengevat in een schema:

Verband tussen opvoedingsstijl en hechtingsgedrag bij kinderen en volwassenen



- Brisch K. Bindungsstörungen; von der Bindungstheorie zur Therapie. Stuttgart: Klett-Cotta, 1999

- Cassidy J en Shaver Ph., The handbook of attachment: theory, research and clinical applications. London: Guilford Press, 1999.

- Fonagy P, Gergely G, Jurist E en Target M. Affect regulation, mentalization and the development of the self. New York, Other Press, 2002.

- Schore A. Affect regulation and the origin of the self: the neurobiology of development. New York, Erlbaum, 1994.

- Schore A., De geest in ontwikkeling: hechting, het zichzelf organiserend brein en de op ontwikkeling gerichte psychoanalytische psychotherapie. In: Toegang tot de psychotherapie, 2003, 1, 7 – 44.